Bonen en olie


Ik heb het eerder gezegd, ik zeg het nu: bonen hebben vet nodig. Het was 1986, december en bar koud. Het restaurantje in ons Italiaanse dorp heette La Toppa en bood behagelijkheid en knoestig eten, vandaar dat we daarheen huiverden door de bleek tochtende straten. Pasta kwam op tafel, een buikige mandfles Chianti en daarna was het tijd voor een secondo. Lamsvlees, waarom niet, koteletjes van de grill. En aangezien je in Italië je bijgerecht apart bestelt, vroeg ik advies. Wat eet een Toscaner bij lam? Bonen, signore. Witte bonen, cannelloni.

Toch zat ik wat langer ietwat verbaasd op mijn bordje te prikken. Was dat nou iets om trots op te zijn? Witte bonen, zonder veel smaak, plompverloren op een schoteltje gedaan?

“A Lei non piace l’olio?” vroeg de eigenaar verbaasd. Of ik niet van olijfolie hield? Jazeker wel! Groengouden olio di frantoio, indringend van smaak, brandend in de keel, die bleek erop te moeten, en gul ook. Net als wat zout en peper uit de klaarstaande molen. En toen ging het doek op, lezers. De cannellini openden hun keeltjes en zongen een culinaire aria. Nu begreep ik waarom Toscaners mangiafagioli heten, ‘boneneters’. Ik ben het sindsdien ook. Bonen en olie, ze zijn voor elkaar geschapen, en voor ons, voor u, voor mij. Amen.

Onno



Reply