De erwtprinses


Lang geleden leefde er in een land hier niet eens zo heel ver vandaan een prinsesje. Ze was en bleef het enige kind van een lieve koning en koningin. En omdat ze enig kind was, bekleedde ze ook de functie van erfprinses. Want na het overlijden van haar ouders zou zíj koningin worden. Daar was iedereen het over eens.

Het prinsesje was mooi, slim, bij de hand, aardig, ze had gevoel voor humor, kon goed leren op school, ze deed aan ballet en speelde piano, en had en prachtige verzameling postzegels. Kortom: alles leek fantastisch. Maar, de erfprinses, die Olijfje heette, had één gebrek. Ze kon de letter F niet zeggen. Ze noemde zichzelf dus Ertprinses Olijtje. Daar werd ze op school natuurlijk mee geplaagd. Wan wat is nou een ertprinses. En wie heet er nou Olijtje? Iedere dag kwam het prinsesje huilend thuis en dan ging ze maar weer pony rijden in haar eentje, of tekenen, of haar postzegels tellen.

De koning en koningin maakten zich grote zorgen, want alle kinderen hebben vriendjes en vriendinnetjes nodig en niemand vindt het leuk om gepest te worden. Eén jongen uit haar klas maakte het helemaal bont door op een dag de schooltas van Olijfje vol met erwtjes te stoppen. De koningin wist niet beter dan ze te laten koken en op te dienen die avond. Anders was het ook maar zonde van al die heerlijke erwtjes. Eten weggooien, dat doe je niet.

Eigenlijk wilde Olijfje natuurlijk die akelige erwtjes niet eten. Maar omdat de kok ze heerlijk had bereid met kleine uitjes en spekjes erdoor wilde ze er toch van proeven. En… ze vond ze superlekker. De erwtjes gingen er in als koek. Vooral als je van pappa en mam

ma met de laatste erwt mocht knikkeren op tafel. Pang, schoot een erwtje onder de rand van de schaal met aardappelen. Plons, ging het erwtje in de juskom. De spetters vlogen alle kanten op. En alle mensen aan tafel hadden groot plezier. De volgende dag moesten er beslist wéér erwtjes op tafel komen. De kok vond het allemaal prima. De bonentuin stond vol met erwtenplanten die hoog nodig geplukt moesten worden.

De volgende dag ging Olijfje weer naar school. Op het plein stond het akeligste jongetje van de klas, met een blonde kuif en boze bruine ogen en een heel raar accent (maar daar durfde niemand wat van te zeggen, want dan werd hij nog bozer dan hij al keek). ‘Zo, ertprinses Olijtje, wat vond je van de erwtjes?’ gilde hij triomfantelijk. Maar in plaats van huilend weg te lopen, haalde het prinsesje haar schouders op en zei: “Ze waren heerlijk, met uitjes en spekjes, en met de laatste mocht ik knikkeren. Ik ben een echte erwtprinses.’ En een beetje nuffig en tevreden over zichzelf keek ze rond. De kinderen op het schoolplein reageerden jaloers. Want zij wilden ook wel met erwtjes knikkeren. Thuis mochten ze natuurlijk niet met eten spelen en er zaten ook geen spekjes door de erwtjes, maar worteltjes. Wel lekker, maar niet zo spannend. Het prinsesje keek de kinderen allemaal aan en zei verlegen: ‘als jullie dat leuk vinden mogen jullie wel bij mij erwtjes komen eten en dan knikkeren met de laatste erwt op je bord. Maar dan moet je wel eerst alle erwtjes opgegeten hebben.’

‘Ja!’, schreeuwden ze allemaal vrolijk uit. ‘Wij gaan erwtjes eten bij de erwtprinses.’ Alleen het nare jongetje met de rare kuif en het rare accent wilde niet. Hij vond erwtjes met worteltjes goed genoeg en van die fratsen moest hij niets hebben. Hij bleef thuis, terwijl alle anderen heel veel plezier maakten met het prinsesje op het paleis en vriendjes werden. En daar heeft het nare jongetje nóg spijt van, tot op de dag van vandaag.

een verlaat schrikkelsprookje van
Lizet



Reply