Bonen en bodem

Bonen: een zegen voor de bodem én op je bord.


door Fransjan de Waard

Bonen. Erwten. Linzen. Kapucijners. Lupine. Pinda’s. Het zijn prima eiwitbronnen, hoor je steeds. Maar dat is slechts de helft van het verhaal en misschien wel minder.

Peulvruchten worden weer populair omdat ze iets substantieels bijdragen dat vlees kan vervangen, plantaardige eiwitten. Zijn bladgroenten dan alleen maar vezels en mineralen en granen slechts koolhydraten? Nee, ook daarin zitten ook eiwitten en aminozuren. Maar peulvruchten fietsen hen eruit. Het is vast geen toeval dat graan, groen en peulen overal ter wereld in mooie combi’s op ons bord terecht zijn gekomen.

Ik ben een landbouwingenieur met een fors uit de hand gelopen interesse in integrale ecosystemen. Voor mij zijn peulvruchten vooral leden van die reusachtige familie van vlinderbloemigen – in totaal zo’n twintigduizend soorten – waaronder vele bekende en nog veel meer onbekende soorten zogeheten ‘kruidachtige’ planten, maar ook struiken en bomen, soms reusachtige bomen. Ze ontlenen hun familienaam aan de onmiskenbare, symmetrisch-fladderige bloemen waar zij in grossieren – denk aan klaver (piepklein), wikke, lupine, erwten, pronkerwten natuurlijk, brem, maar ook aan goudenregen, en robinia (die vaak acacia wordt genoemd, maar van achteren juist pseudoacacia heet).

Vlinderbloemigen zijn ongemeen belangwekkend vanwege hun onmisbare potentieel voor de land- en tuinbouw van de toekomst. Als we van de peulen aan de plant een niveautje zakken, naar de bodem waar die plant in groeit, en van de aminozuren en eiwitten een niveautje afdalen naar de moleculen waar die uit zijn opgebouwd, dan draait het daarin om allemaal om stikstof. Stikstof is het cruciale element in plantaardige aminozuren. Er is geen aminozuur of eiwit zonder stikstof. Pure stikstof kennen we allemaal van dichtbij, want dat is het hoofdbestanddeel van lucht. ‘Lucht’ bestaat voor bijna 80% uit stikstof. Maar als het als gas in de lucht zit, zit het nog niet in de plant. Edoch, en dat is het bijzondere, wèl bij vlinderbloemigen (en – anders blijven we kibbelen – bij een enkele outsider). Dat flikken ze door vriendjes te zijn met specifieke bacteriën die zelfs bij hen inwonen, in hun wortels in de bodem, dat flin-ter-dun-ne jasje om de Aarde. Hier is het 20 cm diep en daar misschien wel 3 meter. Gemiddeld gaat het om honderd luttele centimeters, op een planeet met een doorsnede van 12.000 kilometer. Dat is iets om zuinig op te zijn, ook al zijn we dat bepaald niet. Hoera echter voor de vlinderbloemigen, want die zijn een onmisbare hulp om onze slechte zorgen te helpen herstellen.

De meeste vlinderbloemigen gaan een symbiose aan met bacteriën die de voornaam Rhizobium hebben: ‘hij/zij die in wortels leeft’. Ultraspecifieke mIcro-organismen, huizend in de zogenaamde wortelknolletjes die de ‘waardplant’ (geen familie) gaat vormen als die de los rondzwervende bacteriën eenmaal via zijn wortelharen heeft binnengelaten. In zo’n wortelknolletje bouwt Rhizobium dan zijn ammoniumfabriek op, waar hij de stikstof die in een goede, luchtige bodem langs komt, bindt aan waterstof die hij uit water haalt. Et voilá, ammonium – voor transport door een plant de handigste vorm van stikstof. In ruil daarvoor krijgt de bacterie suikers van de dankbare plant toegediend, product van de fotosynthese. Van de ammonium maakt de plant aminozuren, en vervolgens onder meer eiwit, dat vooral in zijn zaden terug te vinden is. Dat is één. Maar niet alle stikstof wordt zo door dezelfde plant gebruikt; een deel komt in de loop – en na afloop – van zijn cyclus in de bodem terecht. En dan kunnen andere planten er dus ook bij. Dat is twee. Ook zij hebben dat nodig voor hun eiwitten, bladgroen, hormonen, enzymen en al hun DNA. Vlinderbloemigen zijn niet alleen om op te vreten maar zijn meteen ook geweldige groenbemesters.

Zij vervullen van nature een rol die de agroindustrie de laatste eeuw heeft trachten over te nemen, door via kunstmest stikstof in de bodem te brengen. Dat komt voort uit een typisch industriële gedachte: laat ons het maar in een potje stoppen, dan koop je dat gewoon van ons en komt het allemaal goed. Maar het komt niet goed. Minerale korrels strooien is bijvoorbeeld iets anders dan bodemvruchtbaarheid opbouwen. Wat die bacteriën in die petieterige wortelknolletjes klaarspelen – het splitsen van de twee atomen van stikstof uit de lucht – kost ons bergen fossiele energie, want het lukt alleen bij hoge druk en temperatuur. Zo’n 0,6 kg aardgas per kg stikstof. Kunstmestproductie staat in de boeken voor 2 á 3 % van het totale wereldwijde energieverbruik. Vlinderbloemigen doen het gratis en voor niks. Stikstofhoudende kunstmest is dus iets van een tijdperk dat voorbij is. Laat vlinderbloemigen – bonen, erwten, linzen, kapucijners, lupine, pinda’s maar ook klavers, luzerne en vele vele meer – dus overal hun ding weer doen. Ze zijn een zegen voor de bodem en een zegen op je bord.

Fransjan de Waard
facebook: https://www.facebook.com/DeWaardEetbaarLandschap
blog: thuis op aarde

eerder gepubliceerd op foodlog