Over bonen en broeikasgassen


51C3380E-1560-95DA-43373CCAB4356164Door Corné van Dooren

De VN wil in het International Year of the Pulses 2016 de aandacht richten op de rol die peulvruchten spelen als onderdeel van een duurzame voedselproductie, voedselzekerheid en nutriëntenvoorziening (UN General Assembly, 7 feb 2014).

De Gezondheidsraad maakte in 2011 al duidelijk dat een richtlijn die zowel gezondheidswinst als ecologische winst oplevert, is het gebruik van een meer plantaardige en minder dierlijke voeding, dus met meer peulvruchten en plantaardige vleesvervangers. Peulvruchten leveren immers in vergelijking met dierlijke bronnen van eiwit een lagere uitstoot van broeikasgassen op. Het landgebruik van peulvruchten varieert: dat ligt soms onder en soms op het niveau van de productie van varkensvlees en kip (Gezondheidsraad 2011).

In de nieuwe voedingsrichtlijnen van de Scandinavische landen (Norden 2014) is een apart hoofdstuk over duurzame voedingspatronen opgenomen. Hun conclusie: “Een verhoogde consumptie van peulvruchten verhoogt de inname van … verscheidene voedingsstoffen. De productie van peulvruchten heeft een lage klimaatimpact, ze zijn nuttig in vruchtwisselingssystemen en ze zijn goed op te slaan (dat betekent minder voedselverspilling, CvD). Het aminozuurgehalte in peulvruchten is niet volledig uitgebalanceerd, maar in combinatie met de aminozuren in granen of dierlijke bronnen kan een juiste aminozuursamenstelling gerealiseerd worden.”

Het is al een lange tijd bekend dat de productie van dierlijke eiwitten meer milieubelasting met zich mee brengt dan die van plantaardige eiwitten. Het betreft zowel landgebruik als energiegebruik (3-10x). Dat geldt ook voor minder bekende milieuaspecten als eutrofiëring (3-10x), verzuring (60x) en zoetwatergebruik (30-40x). Ook is er meer vervuiling in de vorm van bestrijdingsmiddelen, zware metalen en antibiotica (Aiking, de Boer et al. 2006).

Meer concreet: volgens een overzicht van het PBL (Westhoek, Rood et al. 2011) hebben gedroogde peulvruchten een broeikasgasemissie van 1-2 kg CO2eq/kg en een landgebruik van 3 – 8 m3/kg. De broeikasgasemissies van vleessoorten zijn veel hoger (kip 2-6, varken 4-11, rund 9-129, vis 1-15), van plantaardige vleesvervangers en melk in dezelfde orde. Let wel dit is in gedroogde vorm, geweld en gekookt is dat een factor 2 a 3 lager.

De productie van een blik bruine bonen heeft volgens Blonk Consultants een broeikasgasemissie van 1,6 kg CO2eq/kg. Dat is hetzelfde als een kant-en-klare vleesvervanger of koolvis. Daarmee is het één van de eiwitbronnen en vleesvervangers met een lage klimaatbelasting. Tempé, plantaardige burgers en vissen als haring en makreel zitten daar nog onder (1,1 kg), maar ei, tofu en noten zitten er boven. Ter vergelijking: de vleessoort met de laagste klimaatbelasting is kip met 2,6 kg CO2eq/kg (Blonk, Kool et al. 2008).

De efficiëntie waarmee eiwit in de voedselproductie gemaakt wordt uit stikstof is een belangrijke verklaring voor de verschillen. Als je puur naar stikstof input kijkt (N footprint) ten opzichte van de geconsumeerde hoeveelheid stikstof in de vorm van eiwit, heb je een verliesfactor. Deze is voor vlees 3,4 tot 8,5, voor melk 5,7, voor vis 3,0, voor granen en wortelgewassen 1,4 en voor peulvruchten 0,7 (Leach, Galloway et al. 2012). Het gebruik van kunstmest is een belangrijke factor daarbij. Het cijfer voor peulvruchten is zo laag, omdat ze zelf stikstof uit de lucht binden. Als de teelt gecombineerd wordt met bijvoorbeeld tarwe, doen ze dat ook voor andere gewassen.

Fußabdruck aus WasserOok de waterfootprint van peulvruchten is een factor 5 tot 18 lager dan van vlees. Soja en pinda vormen een uitzondering; zij zijn wel waterslurpende peulvruchten (Gan, Campbell et al. 2009). Nederlandse bonen hebben een waterfootprint van 790 liter/kg, erwten 660 liter, andere, vaak geïmporteerde peulvruchten 3530, soja 2060 en pinda 4160 (Mekonnen and Hoekstra 2011).

Zelf gedroogde peulvruchten wellen en koken is veel werk. Daarom is het handiger om ze uit pot, blik of diepvries te gebruiken. Een casestudy naar sperziebonen van Blonk Consultants gaf aan dat verse, vollegrondsgroente (zolang het niet per vliegtuig geïmporteerd wordt) wel de laagste broeikasgasemissies heeft (0,7 kg CO2eq), maar dat respectievelijk diepvries, blik en glas, dicht daarop volgen met beperkte verschillen, oplopend tot 1,5 kg CO2eq. Voor fossiel energiegebruik zijn de verschillen minder, waarbij diepvries het meeste energie gebruikt (Broekema and Blonk 2010).

Conclusie: vanuit milieubelasting bekeken zijn peulvruchten een prima keuze.

Corné van Dooren, kennisspecialist duurzaam eten, Voedingscentrum

21 januari 2015

Aiking, H., J. de Boer, et al., Eds. (2006). Sustainable Protein Production and Consumption: Pigs or Peas? Amsterdam.

Blonk, H., A. Kool, et al. (2008). Milieueffecten Nederlandse consumptie van eiwitrijke producten. Gouda, Netherlands, Blonk Milieu Advies (Blonk Environmental Consultants): 79.

Broekema, R. and H. Blonk (2010). Milieueffecten van sperziebonen en spinazie; Een vergelijking tussen vers, conserven en diepvries: vanaf de teelt tot op het bord. Gouda, Blonk Consutancy: 26.

Gan, Y., C. A. Campbell, et al. (2009). “Water use and distribution profile under pulse and oilseed crops in semiarid northern high latitude areas.” Agricultural Water Management 96(2): 337-348.

Gezondheidsraad (2011). Richtlijnen goede voeding ecologisch belicht. Den Haag, Gezondheidsraad: 92.

Leach, A. M., J. N. Galloway, et al. (2012). “A nitrogen footprint model to help consumers understand their role in nitrogen losses to the environment.” Environmental Development 1(1): 40-66.

Mekonnen, M. M. and A. Y. Hoekstra (2011). National water footprint accounts: the green, blue and grey water footprint of production and consumption. Delft, the Netherlands, UNESCO-IHE Institute for Water Education.

Norden (2014). Nordic Nutrition Recommendations 2012; Integrating nutrition and physical activity. Copenhagen, Nordic Council of Ministers: 629.

Westhoek, H., T. Rood, et al. (2011). The Protein Puzzle; The consumption and production of meat, dairy and fish in th European Union. Den Haag, PBL: 221.